De eerste reacties op Ecomodernisme

Ons boek maakt veel reacties los. Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei heeft rondom de lancering kunnen rekenen op veel media-aandacht. Er waren voorpublicaties (waaronder in Trouw, Vrij Nederland en Knack), radio-interviews (Vroege Vogels, BNR, Quote Radio) en vooral ook besprekingen: in papieren uitgaven als Elsevier, De Groene Amsterdammer, New Scientist en De Ingenieur, en op blogs als hetkanWel, Liberales  en  Ravage. Nog voor de boekpresentatie in Pakhuis de Zwijger meldde de uitgever een tweede druk klaar te maken.

Daar zijn we dankbaar voor. Wij zien de interesse als een bevestiging van een groeiende behoefte aan een scherper debat over de weg naar een schoon milieu, stabiel klimaat, grotere biodiversiteit en minder armoede. Wij zien het ook als een teken dat het ecomodernisme een relevante stroming is, die een verrassende kijk meebrengt die serieus moet worden genomen.

De diversiteit onder de zeven auteurs – in alles van achtergrond, stijl en politieke voorkeur – bleef bij de meeste lezers niet onopgemerkt. Voor de een was het aanleiding te wijzen op onderlinge verdeeldheid en een gebrek aan samenhang; voor de ander was het bemoedigend en een verademing om te zien hoe zo’n uiteenlopend gezelschap elkaar heeft gevonden en overeenstemming weet te bereiken.

Bij de boekpresentatie, tijdens het overhandigen van de eerste exemplaren, zeiden we: “Meningen moet je stevig verwoorden, maar losjes aanhangen.” Die gedachte, overgenomen van ecomodernist Stewart Brand, was niet alleen een evidente oproep aan de traditionele milieubeweging om achterhaalde, irrationele stellingen te herzien. We zien in dat motto ook uitdrukkelijk een opdracht aan onszelf.

Of je nu een “traditionele milieuactivist” bent of een ecomodernist: bewijs moet je voortdurend wegen, technische ontwikkelingen moet je blijven volgen, argumenten blijven beoordelen, prioriteiten blijven stellen. Soms maak je fouten. Conclusies die je trekt, kunnen botsen met eerdere conclusies. Je mening kan botsen op meningen die je eerder nog zo stellig had verwoord. Dat geeft niet, vinden wij. Fouten kun je corrigeren, nieuw onderzoek kan leiden tot nieuwe conclusies. Wie meningen losjes aanhangt, kan er ook gemakkelijk vanaf stappen.

Vanuit de vele reacties zijn er twee zaken waarop we graag willen reageren. Ze haken beide aan bij onze hoofdstukken over energie. In recensies kreeg dat thema veruit de meeste aandacht. Een aantal kritische reacties overtuigden ons er van dat we op dit terrein nu al wat zaken willen verduidelijken en bijstellen.

Over de opslag van duurzame energie

Het hoofdstuk waarin we de energie uit zon en wind bespreken, zou teveel zijn gekleurd. We zouden deze energievormen louter omschrijven als inefficiënt, kostbaar, materiaalverspillend en ruimteverkwistend. Vervolgens zouden we te weinig erkennen dat door zon en wind de uitstoot van CO2 flink gereduceerd kan worden. Bovendien zouden we de spectaculaire prijsdalingen hebben genegeerd waarmee we onze lezers een te hoog kostenplaatje voorschotelden. En we zouden de vooruitgang in de opslagcapaciteit van de batterijen hebben genegeerd.

Om met dat laatste beginnen. We besteden inderdaad vrij weinig aandacht aan de vorderingen die worden gemaakt in de opslag van door zon en wind opgewekte elektriciteit. De reden daarvoor is dat deze vorderingen veelal beperkt blijven tot dromen en beloftes. De pleitbezorgers van energieopslag hebben hetzelfde probleem als de pleitbezorgers van kernfusie: het gaat over technologieën die volgens ons huidige technische kunnen nog niet bestaan. Zowel naar energieopslag als naar kernfusie loopt interessant en beloftevol onderzoek, maar de resultaten kunnen we op dit moment niet echt kennen. We vinden het daarom beter om het energiethema zoveel mogelijk te bekijken vanuit de huidige stand van zaken en vanuit bestaande technologieën.

Dat alles neemt overigens niet weg dat we ook in ons boek benadrukken dat zon en wind een belangrijk onderdeel zullen zijn van de mix aan bronnen die de komende decennia energie zullen leveren. Bovendien bepleiten we “substantiële investeringen” in de doorontwikkeling van zonne- en windenergie, inclusief de opslag van deze energie. Elke doorbraak die op dit terrein wordt bereikt, juichen we toe.

Uiteindelijk stellen wij ons een ontkolingsscenario voor voor bijvoorbeeld elektriciteit, zoals energie-expert Jesse Jenkins in maart van dit jaar berekende in een rapport van het Energy Innovation Reform Project, met daarin ruimte voor minstens 20 procent kernenergie. Ook ziet hij een rol voor CO2-afvang en -opslag. Met een diverse mix is de transitie aanzienlijk goedkoper en makkelijker te bereiken. Deze mix zal er uiteraard niet overal hetzelfde uitzien.

Het blijft hoe dan ook een moeilijke opgave, zo beschrijft Jenkins, een voormalig medewerker van The Breakthrough Institute, de toonaangevende ecomodernistische denktank. Een belangrijk probleem blijft het feit dat de opslagtechnologie op dít moment nog niet voldoende ontwikkeld is om zon en wind te laten uitgroeien tot de dominante vorm van energie. Niet alleen is de technologie nog niet concurrerend genoeg om het op te nemen tegen energie uit fossiele brandstoffen, ook is het nog niet duidelijk of de productie, installatie en ontmanteling van zonnepanelen, windmolens en opslagsystemen niet meer energie kosten dan ze opleveren.

Over de uitdagingen van kernenergie

Van alle zestien hoofdstukken in het boek is het hoofdstuk “Vrees niet voor kernenergie” veruit het meest besproken. Het is een controversieel standpunt gebleken dat vooraf in de Volkskrant al uitgebreid aandacht kreeg.

In het boek beschrijven we dat er een belangrijke rol voor kerncentrales is weggelegd, omdat ze geen CO2-uitstoot leveren en, in tegenstelling tot energie uit zon en wind, 24/7 leveren. Het is een conclusie waar we volledig achter blijven staan. Dat doen we met steun van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), de belangrijkste autoriteit op het terrein van energie. Het IEA  stelt dat de bloei van duurzame energie uit zon en wind, alleen plaats kan vinden, wanneer ook kernenergie een belangrijke rol zal spelen in de “energiemix” van de komende decennia.

De belangrijkste kritiek is dat onze “liefde voor kernenergie”ons zou verblinden voor reële uitdagingen, bijvoorbeeld over veiligheid, kosten en implementatie. Toch beseffen ook wij dat er nog altijd evidente problemen zijn met kernenergie – en die willen we graag nader onderzoeken en, als het kan, explicieter verwoorden in een nieuwe uitgave van het boek.

Een belangrijk struikelblok vormen de kosten. Kernenergie is te duur. Dat wordt bijvoorbeeld onderkend door Michael Shellenberger, de oprichter van de ecomodernistische denktank The Breakthrough Institute die vorig jaar een milieugroep opzette waarmee hij actievoert om kernenergie onderdeel te laten zijn van de milieuagenda. Volgens hem is een belangrijke oorzaak van de hoge kosten het gebrek aan standaardisatie, waardoor er bij de bouw en het onderhoud van elke reactor weer onbekende, dure problemen tevoorschijn komen.

Voor oplossingen kijkt Shellenberger naar Zuid-Korea, dat er wel in slaagt op meerdere vergelijkbare reactoren efficiënt te bouwen. Hij wijst daarnaast naar de buitenproportioneel hoge veiligheidseisen die de bouw van reactoren met zich meebrengen, die in geen verhouding staan tot de daadwerkelijk risico’s. Shellenberger mag dan fervent voorstander zijn van kernenergie, ook hij zegt dat als de nucleaire industrie zich niet weet aan te passen, de sector zal imploderen.

Daarnaast blijft het belangrijk om het verschil te onderkennen tussen het bouwen van nieuwe reactoren, en het in stand houden van de huidige vloot. Het uitschakelen van goedwerkende reactoren, zoals in Duitsland in het kader van de Energiewende gebeurde, is onverstandig: Duitsland heeft hierdoor een hogere CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking dan Frankrijk, dat zijn kernreactoren wél laat draaien. Een recent artikel van de Carnegie Mellon University in Pittsburg laat zien dat het draaiende houden van de reactoren ook in de Verenigde Staten een kosteneffectieve manier is om de uitstoot van broeikasgassen te beperken.

Tot slot…  

Op deze website willen we graag geregeld melding maken van nieuwe ontwikkelingen en studies, en ook van kritiek op onze ideeën. We blijven graag in gesprek!

Trump trekt zich terug uit verdrag Parijs: dat is geen ramp

(NB: Een ingekorte versie van onderstaand artikel verscheen op de website van de Volkskrant.)

Internationale verontwaardiging alom bij het besluit van Donald Trump om de Verenigde Staten terug te trekken uit het klimaatakkoord van Parijs. Europese leiders spraken van “een grote vergissing” en “een grove fout”. De EU-commissaris van Klimaat noemde het “een trieste, trieste dag voor de wereld”. Staatssecretaris Sharon Dijksma had het over een “historische vergissing”. De Verenigde Naties vonden het een “enorme teleurstelling”.

Toch was het besluit geen verrassing. In zijn campagne had Trump al beloofd zijn land terug te trekken uit deze afspraken. Hij is democratisch gekozen tot president op een belofte dat hij de Amerikaanse belangen voorop zou stellen. In zijn toespraak ter onderbouwing van zijn beslissing, stelde Trump dat hij de kosten te hoog vindt voor baten die te weinig voorstellen. Of we Trump nu mogen of niet: hij staat volkomen in zijn recht om zijn plannen uit te voeren. Is het een ramp?

Dat hoeft het zeker niet te zijn. Internationale klimaatverdragen hebben namelijk relatief weinig invloed op de mondiale CO2-uitstoot. Sterker nog, het zou wel eens goed nieuws kunnen zijn voor zowel het klimaat als de economie. Er zijn namelijk andere, betere, meer haalbare manieren om het klimaat te stabiliseren.

Wat is er afgesproken?

Het verdrag van Parijs kwam in 2015 tot stand na moeizame onderhandelingen. Sommigen noemden het “ambitieus” en een “historische overwinning”, maar de meesten waren kritischer en gereserveerd. Het was  in elk geval íets, was de heersende gedachte bij milieugroeperingen.  Juist vanwege die lauwe reacties van destijds wekt het verbazing om nu te moeten horen hoe ontwrichtend het zou zijn nu een speler zich terugtrekt.

Een ultieme oplossing om de mondiale opwarming beneden de twee graden te houden, is het niet. Het akkoord staat bol van beloften, waar geen land zich aan hoeft te houden. Onderdelen uit het akkoord van Parijs zijn weliswaar “juridisch bindend”, maar er volgen geen sancties wanneer landen zich er niet aan houden.

Zelfs wanneer álle landen, inclusief de Verenigde Staten, hun beloften nakomen om tot 2030 de CO2-uitstoot terug te dringen volgens de in Parijs gemaakte afspraken, zo berekende de Deense statisticus Bjorn Lomborg in een peer-reviewed rapport, zou de uitstoot slechts worden teruggebracht tot een honderdste van wat nodig is om de mondiale temperatuurstijging onder de twee graden te houden.

Wetenschappers van het Massachusetts Institute of Technology kwamen tot een vergelijkbare conclusie. Wanneer alle beloften tot het jaar 2100 zouden worden waargemaakt, stelden zij, zou de atmosferische concentratie van CO2 in dat jaar 710 deeltjes per miljoen zijn, in plaats van 750 als er géén verdrag was. Dit vertaalt zich naar een verschil in temperatuurtoename van 0,2 graden Celsius.

Wat dat betreft, is de beslissing van Trump net zo goed symboolpolitiek als het verdrag van Parijs: het heeft weinig effect op het klimaat, maar maakt vooral een politiek statement.

Waarom hebben verdragen weinig succes?

Internationale afspraken hebben vermoedelijk maar weinig effect op de uitstoot van CO2. Het is onmogelijk te zeggen waar we vandaag zouden staan als er in de afgelopen jaren geen klimaatafspraken waren gemaakt. Maar factoren die een veel belangrijkere rol lijken te spelen, zijn macro-economische ontwikkelingen, technologische veranderingen en investeringen in innovaties. Dat blijkt uit een analyse van de ecomodernistische denktank The Breakthrough Institute.

Zo heeft de ontdekking en het gebruik van schaliegas veel meer gedaan om de veel vuilere kolencentrales buiten gebruik te stellen dan welk verdrag dan ook. Sterker, dankzij het door velen in de milieubeweging zo verfoeide schaliegas is de CO2-uitstoot in de Verenigde Staten sterker afgenomen dan die in Europa.

Het gebrekkige succes van internationale afspraken heeft er deels mee te maken dat landen zich slechts lijken te willen committeren aan doelstellingen die haalbaar zijn wanneer trends zich voortzetten. Daar spreekt evenwel weinig ambitie uit. Ter illustratie: de emissiefactor in landen die meededen aan het Kyotoprotocol uit 1997 viel sneller terug in de tien jaar vóór het verdrag werd getekend dan in de tien jaar daarna. Dat heeft er mogelijk mee te maken dat de aandacht te veel gaat naar het volgen van het protocol in plaats van technische innovaties, die een werkelijke doorbraak betekenen.

Internationale afspraken, zoals die in Parijs zijn gemaakt, blijken vooral een vorm van symboolpolitiek. Politici willen er een statement mee maken, terwijl ze tegemoet komen aan de wensen van milieuactivisten voor reguleringen. Een pragmatische aanpak van de problemen van klimaatverandering komt daardoor helaas op de achtergrond.

Toch is zo’n pragmatische aanpak wat we nodig hebben. Om de afspraken in Parijs uit te voeren, moet veel worden ingezet op energie uit zon en wind. Maar zonnepanelen en windmolens zijn voorlopig helaas nog weinig efficiënt en goede opslagcapaciteit ontbreekt. Er zit wel enige vooruitgang in, maar die verloopt traag. De keuze om een inferieure technologie zwaar te subsidiëren is een verkeerde. Verstandiger is het om zwaar te investeren in innovaties voor (veel) betere opslagcapaciteit of in andere vormen van CO2-vrije energie, zoals nieuwe kerncentrales.

Gevolgen voor de economie

Trump werd beschimpt om zijn opmerking dat het klimaatverdrag van Parijs schadelijk is voor de economie. Mark Rutte wees erop dat er juist “wereldwijd economische kansen” zijn. Maar uitvoering van het verdrag kost vooral geld en volgens alle studies vertraagt het de economische groei. Dat geldt niet alleen voor de Verenigde Staten, zoals Trump stelde op basis van een document uit 2015 van het Witte Huis. Daarin werd gesteld dat Obama’s vergaande plannen zou leiden tot een afnemende economische groei van jaarlijks meer dan 150 miljard dollar.

Andere landen lopen echter ook economische schade op. We zien dat terug in alles van stijgende energieprijzen tot tragere groei. Het mondiale kostenplaatje zou tot aan 2030 mogelijk 1 tot 2 biljard (ja, twaalf nullen) dollar bedragen, per jaar, op een wereldeconomie die zo’n 80 biljard dollar beslaat.

Vooral arme landen zullen dat merken. Sommigen wijzen erop dat in Parijs juist is afgesproken dat er “klimaathulp” wordt geboden aan arme landen, tot een bedrag van 100 miljard dollar per jaar. Maar de landen die dat geld zouden moeten opbrengen hebben nog niet een tiende geschonken van wat ze hadden moeten schenken.

Is Trump een zegen?

Dat betekent niet onomstotelijk dat Trump een zegen zal zijn voor het klimaat en het milieu. Er zijn genoeg redenen om daarover zeer sceptisch te zijn. Toch stemt het hoopvol dat hij in zijn verklaring nergens klimaatverandering een hoax heeft genoemd, of twijfels uitte over de klimaatwetenschap, zoals hij in eerdere instanties omstandig heeft gedaan. Sterker, Trump gaf aan dat hij met zijn land op milieugebebied de wereldleider wil blijven. Hoe is nog onduidelijk.

Het voorspelt in elk geval niet veel goeds dat hij haast lijkt te maken om de steenkoolindustrie een kontje te geven. Als Trump zich werkelijk pragmatisch opstelt en economische groei najaagt, zal hij juist verder ruimte maken voor het gebruik van schaliegas, maar ook voor technische doorbraken op het gebied van schonere energie, terwijl de rest van de wereld blijft hangen in niet-bindende afspraken, waaruit weinig ambitie spreekt om de klimaatverandering werkelijk tegen te gaan.

In dat opzicht is de beslissing van Trump een geschikt moment om ons af te vragen of het na 25 jaar niet tijd wordt om de klimaatverandering op een heel andere manier tegen te gaan dan via papieren tijgers. Als het doel verschuift van het terugdringen vanCO2-uitstoot via bestaande benaderingen naar investering in innovaties op energiegebied is er meer kans om succes te behalen.

 

Opiniestuk van Marco Visscher, co-auteur van Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei.

Documentaire Well Fed onderzoekt impact van verzet tegen gentech

Er is in Europa veel weerstand tegen genetische modificatie, de techniek waarbij genen worden overgezet van de ene in de andere plant. Dat komt onder andere doordat de techniek slecht zou zijn voor de gezondheid van mens en milieu. En dan is er nog Monsanto, een belangrijke producent van gentechzaden waartegen jaarlijks vele tienduizenden mensen protesteren in de March Against Monsanto.   Onder druk van Westerse milieuorganisaties hebben veel overheden, ook in Afrika en Azië, gentech verboden.

Intussen  is er onder wetenschappers een brede consensus dat genetisch gemodificeerde gewassen geen groter risico vormen voor de gezondheid en het milieu dan gewassen die zijn ontwikkeld met klassieke veredelingstechnieken. Ook laten analyses zien dat gentech uitermate geschikt is om de landbouw te verduurzamen.  Onlangs vroegen 107 Nobelprijswinnaar in een brief aan Greenpeace de campagnes tegen gentech te stopppen.

Welk effect heeft ons verzet tegen gentech op de mensen in ontwikkelingslanden? Dat is wat de documentaire Well Fed onderzoekt.  In de documentaire gaan moleculaire bioloog Hidde Boersma, co-auteur van Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei, en filmmaker Karsten de Vreugd op bezoek bij boeren in Bangladesh. Daar wordt sinds kort geëxperimenteerd met genetisch gemodificeerde aubergines. Deze zijn zo aangepast dat ze resistent zijn tegen de schade van een vraatzuchtige rups. Hoe verandert de gentechaubergine daar het leven?

Boersma en De Vreugd concluderen dat het tijd is om genuanceerder te denken over  genetisch gemodificeerde gewassen. Ze vinden het tijd om te erkennen dat met het verbod op gentech boeren een product wordt onthouden, waarmee ze aanzienlijk minder landbouwchemicaliën hoeven te gebruiken en waarmee ze hogere opbrengsten en hogere inkomsten kunnen halen.

Woensdagavond werd Well Fed uitgezonden op NPO3. (Hier, op de website van NPO, nog beschikbaar tot 10 juni.) De VARA-gids bracht een interview met de makers. Debatcentrum De Balie had vooraf een voorvertoning met een discussie over de rol van genetische modificatie, dat hier is terug te zien.

Waarom deze ecomodernist de kerncentrale in Tihange open wil houden

Op 25 juni zullen tienduizenden Nederlanders, Duitsers en Belgen een menselijke ketting van 90 kilometer vormen om te demonstreren voor de sluiting van de Belgische kerncentrale Tihange. De actie loopt dwars door Lemiers, het Limburgse geboortedorp van Ralf Bodelier, co-auteur van Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei. Hij doet evenwel niet mee.

“Ik weet dat het paradoxaal klinkt, maar ik doe niet mee omdát ik mezelf ervaar als groen en milieuvriendelijk”, schrijft Bodelier in een opinieartikel dat in diverse dagbladen is verschenen, waaronder De Limburger en Brabants Dagblad. “De sluiting van Tihange is zowel slecht voor onze gezondheid, als voor het klimaat, als voor onze portemonnee.”

Lees hier, op de website van Bodelier, het hele opinieartikel.

Ecomodernist Bart Coenen te gast bij KanaalZ

Onze co-auteur Bart Coenen, oud-medewerker van de Vlaamse partij Groen! (destijds Agalev), was te gast bij KanaalZ, de zakenzender op de Belgische kabel. Daar sprak Coenen, oprichter van de ecomodernistische blog BackCover.be, over hoe de milieugroepen zich vergissen in de mogelijkheden van zon- en windenergie en waarom kernenergie een belangrijke aanvulling is op weg naar CO2-vrije energie.  Bekijk het interview hier op de website van KanaalZ.

Terugblik op boekpresentatie

Het was bijna vol in de grote zaal van het Pakhuis de Zwijger bij de boekpresentatie van Ecomodernisme, op 2 mei. Onder leiding van moderator Bart Krull gingen de auteurs in gesprek met de zaal en met het panel, waarin Donald Pols (directeur Milieudefensie), Farah Karimi (directeur OxfamNovib) en milieuhistoricus Wybren Verstegen (Vrije Universiteit) zitting hadden genomen.

In interviews en korte presentaties lichtten de auteurs de belangrijkste ideeën uit het boek eruit. Discussies ontstonden rondom stellingen als: investeringen is kernenergie zijn onmisbaar om CO2-uitstoot drastisch terug te dringen; intensivering van de landbouw is goed voor de natuur; en ontwikkeling is in arme landen belangrijker dan duurzaamheid.

De videoregistratie van de avond is hier te zien op de website van Pakhuis de Zwijger.

Boekbespreking bij Argos, Radio 1: “Echt goed onderbouwd”

In haar boekenrubriek in het programma Argos op Radio 1 besteedde journalist Franka Hummels aandacht aan Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei. Ze sprak onder meer over de hoofdstukken waarin de relevantie van gentechnologie, kernenergie en economische groei werd besproken.  Soms komen de auteurs, zei Hummels, tot “onwelvallige meningen, maar het is wel écht goed onderbouwd”. Toch gaf ze ook aan dat het boek “soms te makkelijk” voorbijgaat aan vragen en zorgen rondom kernenergie.

Toen presentator  Max Pam haar vroeg of het ecomodernisme raakvlakken vertoont met de “optimistische” groene agenda van premier Rutte ontkende Hummels dat resoluut. “De auteurs nemen standpunten in die niet zijn te plaatsen op de links/rechts-schaal”, concludeerde ze.

Ook behandelde Hummels de kritiek die in Ecomodernisme klinkt op de media. “Ze schrijven vaak zomaar op wat de traditionele milieubeweging zegt”, parafraseerde Hummels. “Iemand stuurt een persbericht met een enorme noodklok en dan schrijven journalisten dat op zonder te weten waar de klepel hangt.” Hummels, zelf auteur van De generatorgeneratie, een boek over de kernramp bij Tsjernobyl, gaf aan dat ze eveneens vindt dat journalisten “onvoldoende kritisch” zijn. “Ik denk dat het verwijt klopt.”

Beluister hier het fragment op de website van Radio 1. (Na 5 minuten  komt Ecomodernisme aan bod.)

Voorpublicatie in Trouw: Onze grenzeloze aarde

Letter&Geest, de weekendbijlage  van Trouw, brengt een voorpublicatie uit Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei.  Het fragment begint als volgt:

“Onze natuurlijke grondstoffen raken op. Er is geen oneindige groei mogelijk op een eindige planeet. Onze ecologische voetafdruk is te groot. Nu al hebben we meer dan één aarde nodig om onszelf te onderhouden. Kort samengevat: de mens heeft onbeperkte behoeften en de aarde biedt slechts beperkte middelen.

Intuïtief klinken dit soort beweringen uit de milieubeweging heel logisch. Natúúrlijk hebben we maar één aarde. Natúúrlijk houdt het een keer op. Maar het mooie is: als de menselijke geschiedenis íéts laat zien, is het wel dat we keer op keer afrekenen met schaarste, en we de natuurlijke grenzen weten op te rekken. Wat wordt voorgesteld als een natuurlijke beperking is in feite niets anders dan een grens aan ons vernuft.”

Lees hier het boekfragment op de website van  Trouw.

Recensie in Trouw: “prikkelend boek” dat “wrevel” wekt

Op de dag dat Trouw een boekfragment brengt uit Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei,  is er elders in de krant een recensie te vinden. “Een prikkelend boek, uitdagend”, schrijft wetenschapsredacteur Joep Engels. “Het dwingt de duurzaam angehauchte lezer zijn of haar ideeën tegen het licht te houden.”

Met hun waardering voor verstedelijking, intensieve landbouw, kernenergie en menselijke inventiviteit trappen de auteurs volgens Engels “tegen de heilige huisjes van de duurzaamheid”. De uitdrukkelijke oproep van de auteurs om te durven twijfelen aan dogma’s en te blijven nadenken wordt met instemming aangehaald.

Maar uiteindelijk wekt Ecomodernisme bij de recensent “steeds meer wrevel” op, doordat de auteurs soms “een karikatuur” zouden maken van de opponenten. Engels: “Niet iedereen die zich zorgen maakt over de klimaatverandering is vegetariër, voorstander van kleinschalige landbouw en tegen gentechnologie. Niet ieder lid van de Duurzame 100 heeft thuis een extra trui aan en zet de verwarming uit, terwijl ‘hij droomt van een sober, laagtechnologisch bestaan op het platteland’.”

Verder wijzen de auteurs er volgens Engels wel op dat het groene gedachtengoed “een geloof” is geworden (dat de mensheid voorschrijft te minderen), maar vergeten ze te erkennen dat ze zelf evengoed “gelovigen” zijn, maar dan van “een andere religie”. Het ecomodernistische vertrouwen in technologische vooruitgang en menselijke inventiviteit ziet Engels eveneens als geloof, want, schrijft hij, ecomodernisten “geloven dat we er ‘iets’ op zullen vinden.”

Lees hier de hele recensie in Trouw (via Blendle, 39 cent).

Recensie in New Scientist: “verfrissend”

In een bespreking van Ecomodernisme: Het nieuwe denken over groen en groei  voor  New Scientist schrijft Wim de Jong dat de traditionele milieubeweging soms klinkt “als een ouderwetse langspeelplaat die blijft haken in de groef”. De minder-minder-minder-boodschap (minder CO2 uitstoten, minder consumeren, minder kinderen krijgen) is bovendien bepaald “geen toekomstmuziek om vrolijk van te worden”.

Gelukkig, vervolgt De Jong, “is er sinds een paar jaar een nieuwe beweging van activisten, wetenschappers en burgers die het allemaal wat optimistischer en pragmatischer willen benaderen”. In Ecomodernisme komt hun “nieuwe kijk op het behoud van de planeet naar voren”.

De “oplossing voor alles” hebben de ecomodernisten niet, concludeert De Jong, “al was het maar omdat ze het onderling oneens blijven”. Maar, zo besluit hij de recensie, het is “verfrissend om nieuwe, optimistische ideeën te lezen in plaats van de bekende doemdenkersriedel”.

Lees via Blendle de hele recensie in New Scientist (29 cent).