Paul Kingsworth

Interview met een afvallige milieuactivist

Laat je niet voor de gek houden, waarschuwt oud-milieuactivist Paul Kingsnorth: we zijn allemaal medeplichtig aan de ineenstorting van de aarde. ‘We moeten af van het idee dat er mensen zijn die het antwoord weten op onze problemen.’  

Door: Marco Visscher
Op: www.vn.nl

Tien jaar geleden leek zijn gelijk onomstotelijk bewezen. De wereldeconomie was in een kredietcrisis gestort en dankzij Al Gore’s klimaatfilm was de wereld wakker geschud voor een andere, naderende crisis. In Kopenhagen sloten wereldleiders een historisch klimaatakkoord.

Paul Kingsnorth had kunnen concluderen dat de groene boodschap die hij al zijn hele volwassen leven verkondigde eindelijk was doorgedrongen tot het hoogste politieke niveau. Jarenlang voerde hij campagnes voor milieugroepen, stond hij aan het roer van de redactie van  The Ecologist, destijds hét vlaggenschip van de milieubeweging, en zijn stem reikte tot op de televisie en in de grote internationale kranten. Maar in 2009 trok Kingsnorth een heel andere conclusie: de puinhoop in de wereld was te groot geworden.

Met een mengeling van frustratie en woede werkte hij aan een manifest getiteld  Onbeschaving. De crisis was niet louter economisch, ecologisch of politiek, stelde hij. Het probleem is dat we elkaar de verkeerde verhalen vertellen. Want we zitten midden in een totale ineenstorting: de eerste scheuren zijn zichtbaar en de aarde is niet meer te repareren. Het manifest was een oproep aan schrijvers en kunstenaars om hier eerlijk over te zijn. Met zijn jonge gezin verhuisde hij naar een afgelegen dorpje aan de Ierse kust, waar ze hun eigen voedsel verbouwen.

Tien jaar na het manifest ligt er een boek,  Bekentenissen van een afvallige  milieuactivist. In deze verzameling essays, uitgegeven door Atlas Contact, bepleit Kingsnorth een ‘planetair rouwproces’, zodat we ons verdriet om de ondergang van de aarde kunnen omzetten in een gezonde, persoonlijke relatie tot de natuur.

Klik hier om verder te lezen.

Nederland moet weer op de schop

Nederland moet weer op de schop

Ooit was Nederland wereldkampioen ruimtelijke ordening. Dat we die ambitie hebben losgelaten, is een belangrijke oorzaak van de huidige milieuproblemen. Door beter ruimtelijk te ordenen, lossen we heel wat problemen op.

Door: Joost van Kasteren
Op: www.frieschdagblad.nl

Een groot deel van onze milieuproblemen, inclusief het stikstofprobleem, is niet uit de lucht komen vallen. Die problemen worden veroorzaakt doordat we heel veel willen doen op een klein oppervlak. We willen veel voedsel produceren, we willen het landschap verfraaien én we willen de natuur en biodiversiteit verbeteren. En dat kán ook allemaal. Maar dan moeten we alles een stuk beter organiseren. Ruimtelijke ordening heet dat. En in het verleden waren we daar wereldkampioen in.

In loop van de vorige eeuw ging ongeveer drie kwart van ons landelijk gebied op de schop. Via ruilverkaveling ruilden boeren onderling stukken land en gingen zo de versnippering tegen. Vanaf de jaren vijftig werd ruilverkaveling ook gebruikt om de waterhuishouding te verbeteren, natuur te beschermen en het landschap te verfraaien.

Onder meer dank zij deze ruimtelijke ordening, leek Nederland aan het begin van de 21e eeuw af. Ruimtelijke ordening was niet meer nodig. Nogal wat instanties die zich daarmee bezig hielden, werden door de regering afgeschaft of overgeheveld naar de provincie.

Klik hier om verder te lezen.

Twee ecomoderne bijdragen in radioprogramma De Stemming

Voor het radioprogramma De Stemming van de Limburgse omroep L1 treedt Ralf Bodelier regelmatig op als analist burgerschap. In de afleveringen van 6 oktober en 17 november lichtte hij zijn ecomoderne visie op twee onderwerpen toe.  

In de aflevering van 6 oktober bepleit Ralf dat Limburg een kerncentrale moet bouwen om de provincie van stroom te voorzien. Beluister het fragment hier.

In de aflevering van 17 november legt Ralf uit waarom er geen sprake is van een klimaatcrisis, ondanks de klimaatverandering. Beluister het fragment hier.

Afrika omarmt kernenergie

Afrika omarmt kernenergie

Al decennialang moet Afrika het doen met één kerncentrale. Dat is die van Koeberg in Zuid-Afrika. Deze verzorgt vijf procent van de stroomvoorziening van het land.

Door: Ralf Bodelier
Op: www.fd.nl

Plots is er nu uitzicht op een enorme uitrol van kerncentrales in een groot deel van Afrika. Die centrales worden gebouwd door het Russische Rosatom, een van de grootste spelers in kernenergie wereldwijd.

In de laatste week van oktober ontmoette de Russische president Poetin vrijwel alle Afrikaanse leiders in Sotchi. Maar liefst twintig ‘memorandums of understanding’ rond de levering van kernenergie werden getekend. En bij intentieverklaringen blijft het niet. Komend jaar start Rosatom al met de bouw van een forse kerncentrale in het Egyptische El Dabaa. Waarschijnlijk zullen Ethiopië en Nigeria snel volgen.

Dat is goed nieuws op een continent met 1,2 miljard mensen waarvan nog maar de helft beschikt over elektriciteit. En waar deze eeuw nog eens twee miljard mensen bijkomen. De langzaam groeiende productie van elektriciteit houdt de groeiende vraag simpelweg niet bij. Wie in Afrika wél is aangesloten op het stroomnet, betaalt dubbel zoveel voor zijn elektriciteit dan iemand in Europa, terwijl onderbrekingen aan de orde van de dag zijn.

Klik hier om verder te lezen.

Koop geen biologische waar

Koop geen biologische waar

Aan mijn vrienden. Jullie zweren bij biologisch voedsel. Want wat we doorgaans uit de supermarkt halen is onveilig en ongezond. Het zit vol conserveringsmiddelen, kleurstoffen en E-nummers. Biologisch is puur, kleinschalig en liefdevol.

Door: Ralf Bodelier
Op: www.fd.nl

Ik snap jullie niet. Want het Nederlandse voedsel is gezonder en gevarieerder dan ooit. Ja, we eten misschien te véél, maar dat is een heel ander probleem. Ondanks poepbacteriën in shoarma en listeria in het supermarktvlees, hebben wij 400 keer meer kans om zelfmoord te plegen en 260 keer meer kans om te sterven aan griep, dan dat we het leven laten door onveilig voedsel.

Jullie zijn begaan met de wereld. Jullie maken je grote zorgen over biodiversiteit en honger. Juist die betrokkenheid maakt jullie voorkeur voor biologisch onbegrijpelijk. Biologische boeren wijzen precies datgene af wat in de afgelopen eeuw de natuur beschermde en de wereldwijde voedselproductie opstuwde.

En dat is intensivering van de landbouw. Het feit dat vandaag negen op de tien mensen voldoende te eten hebben, is onder meer te danken aan wat de aanhangers van bio zo verafschuwen: kunstmest, genetische veredeling van planten en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Klik hier om verder te lezen.

De meest kwaadaardige man

De conversatie staat op YouTube en je moet er even voor gaan zitten. Maar dan beleef je ook een debat tussen titanen. Vorige week ging de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker in gesprek met de Israëlische historicus Yuval Noah Harari.

Door: Ralf Bodelier
Op: www.fd.nl

Pinker werd wereldberoemd met twee boeken over de vooruitgang; over de constante afname van ellende, van ziekten, natuurrampen, armoede en geweld. Ook Harari werd beroemd met twee boeken over de vooruitgang. Terwijl Pinker echter verwacht dat we die vooruitgang blijven boeken, ziet Harari het somber in. Mensen worden langzaam maar zeker ‘gehackt’ door algoritmes. We denken weliswaar dat we vrij zijn, maar steeds vaker worden we gestuurd door een combinatie van biotechnologie en informatietechnologie.

Een groot deel van het YouTube-debat draait om de gevaren van deze moderne technologie. Pinker beschrijft hoe zij mensen al eeuwenlang helpt om uit hun ellende te klimmen en vermoedt dat we onze technologie daarvoor in zullen blijven zetten. Harari zet daar het voorzorgsprincipe tegenover. ‘Stel je bent een ingenieur’, zegt hij. ‘Je staat op het punt om een nieuwe uitvinding te introduceren. Haal je dan de meest kwaadaardige man voor de geest die je je voor kunt stellen. Bedenk vervolgens wat hij met jouw uitvinding zou kunnen doen. Overweeg dan opnieuw of je deze uitvinding wel op de markt wil brengen.’

Klik hier om verder te lezen.

Stichting Ecomodernisme steunt wereldwijde actie voor kernenergie

Op zondag 20 oktober 2019 vond de actie ‘Stand Up for Nuclear’ plaats in 33 steden wereldwijd, waaronder Amsterdam. Met de actie wilden betrokken burgers aandacht vragen voor het belang van kernenergie voor een schone en betrouwbare energievoorziening.

Door op openbare plekken met spandoeken en toespraken het publiek voor te lichten over deze techniek, en hardnekkige mythes te ontkrachten, hoopt men het vaak negatieve beeld van kernenergie te verbeteren. Ook Stichting Ecomodernisme liet van zich horen, door zorg te dragen voor de pro-nucleaire demonstratie die zaterdag vanaf 12 uur op de Dam in Amsterdam plaatsvond.

Olguita Oudendijk (voorzitter Stichting Ecomodernisme), Ralf Bodelier (filosoof/journalist), Alexander Deutman (chemicus), Gijs Zwartsenberg (filosoof) en Joris van Dorp (ingenieur) spraken zich middels toespraken uit voor de inzet van kernenergie bij de bestrijding van CO2-uitstoot én armoede. Kernenergie draagt niet bij aan de versterking van het broeikaseffect, verbruikt weinig ruimte, is niet van het weer afhankelijk en kan zeer veel energie leveren. Daarmee kunnen ook de 800 miljoen mensen die nog zonder goede toegang tot elektriciteit leven van energie worden voorzien, zonder dat dit ten koste van het klimaat gaat. Bovendien is kernenergie, of je het wil geloven of niet, de veiligste manier van energieopwekking.

Stand Up for Nuclear is een initiatief van de Nuclear Pride Coalition, een samenwerking tussen onafhankelijke en non-profit organisaties die zich inzetten voor kernenergie, en die deze actie sinds 2016 organiseert.

Bekijk hieronder het fotoverslag en lees meer over de actie op https://standupfornuclear.org/

Drieluik over het windmolenpark in Drenthe

Drieluik over het windmolenpark in Drenthe

In de Drentse Veenkoloniën wordt gebouwd aan een windmolenpark van 45 grote windmolens. Dat gebeurt zeer tegen de zin van de omwonenden. Zij vrezen voor slagschaduw, geluidsoverlast en waardedaling van hun huis. Bovenal vinden zij dat de windmolens er vanuit het rijk en de “windboeren” door zijn gedrukt. Na jaren van protesten en bezwaarschriften grepen sommige tegenstanders naar onwettige middelen, zoals intimidatie en bedreigingen.

Voor een artikelserie in De Groene Amsterdammer keerde Marco Visscher terug naar zijn Drentse geboortegrond om de stemming te peilen. Vanaf het voorjaar sprak hij er met tientallen betrokkenen: van omwonenden en actievoerders tot initiatiefnemers en bestuurders.  Deze week is deel 1 verschenen van een drieluik. Het artikel is hier  te lezen.

Beluister hier  het interview met Visscher voor De Groene Podcast, waarin hij onder meer vertelt over politiek draagvlak en de lessen voor de verdere uitrol van de energietransitie.

Nobelprijs voor randomista’s

De Nobelprijs voor Economie gaat naar Esther Duflo, Abhijit Banerjee en Michael Kremer. Zij worden daarmee onderscheiden voor hun “experimentele aanpak van het verlichten van wereldwijde armoede”. Hun werkwijze wordt gezien als baanbrekend, omdat ze het gerandomiseerde wetenschappelijke onderzoek uit de geneeskunde toepassen op de armoedebestrijding.

Hun aanpak sluit goed aan bij het ecomodernisme, dat een rationele, pragmatische aanpak van urgente problemen bepleit. In 2012 had Marco Visscher een interview met Duflo en schreef hij een achtergrondartikel over het werk van de zogeheten “randomista’s”. Met daarin de voorspellende woorden dat “een Nobelprijs volgens velen nog slechts een kwestie van afwachten is”. Dat artikel staat hieronder afgedrukt:

Door: Marco Visscher  

Madonna of Angelina Jolie zul je er vermoedelijk niet voor op je campagneposter krijgen, maar armoede aanpakken verloopt goedkoop en effectief via de bestrijding van intestinale wormen. Deze parasieten nestelen zich in de darmen, waar ze de gastheer beroven van essentiele voedingsstoffen. Kinderen in arme landen aan wie deze wormen zich geregeld opdringen, krijgen vervolgens te maken met bloedarmoede, algehele vermoeidheid en ondervoeding – en dat blijkt een enorme rem te zetten op hun vermogen om op latere leeftijd vooruit te komen.

Uit een onderzoek in Kenia blijkt dat schoolkinderen die twee jaar achtereen ontwormingspillen kregen, langer onderwijs genoten en betere cijfers haalden dan kinderen op vergelijkbare scholen waar deze pillen slechts een jaar werden verstrekt. Nu de onderzochte kinderen volwassen zijn, blijkt dat de ’twee-jaar-groep’ gemiddeld 20 procent meer verdient. Voor de onderzochte kinderen vertaalt dat ene extra jaar ontwormingspillen zich in 3269 dollar die zij over hun verdere leven meer verdienen. De kosten: 1,36 dollar per deelnemer per jaar.

Dit is wat je krijgt als je het minutieuze uitpluiswerk van statistici mengt met de idealen van armoedebestrijders. Het is het werk van een groep die de ‘randomista’s’ worden genoemd en die een spectaculaire opkomst beleven. Randomista’s testen de effectiviteit van hulpprogramma’s op een ongekend grondige wijze. Ze nemen een willekeurig (random) gekozen groep mensen in een gebied – dorpen in India, steden in Ghana, sloppenwijken in Indonesie – en vergelijken de resultaten van het programma met een controlegroep die niet deelnam of een ander hulpprogramma kreeg. Zo testen ze de impact van een goedbedoelde interventie, berekenen ze de kosteneffectiviteit en ontdekken ze hoe de hulp kan worden verbeterd.

De randomista’s – begonnen als een smalende benaming, maar inmiddels geadopteerd als geuzennaam – zouden het begin inluiden van ‘een nieuw soort economie’. Esther Duflo, een prominent vertegenwoordigster van de stroming, wordt al jarenlang zo zeer bedolven onder prijzen en onderscheidingen, dat een Nobelprijs volgens velen nog slechts een kwestie van afwachten is.

Haar boek is door de Financial Times uitgeroepen tot het beste businessboek van het jaar. Een columnist van die krant omschreef een vergelijkbaar boek (More than good intentions van Yale-econoom Dean Karlan) als ‘belangrijk’ en ‘boeiend’. Bill Gates, de rijkste armoedebestrijder ter wereld, heeft het werk van Duflo’s J-PAL – een onderzoekscentrum dat gerandomiseerd onderzoek gebruikt om problemen in ontwikkelingslanden aan te vechten – ‘enorm belangwekkend’ genoemd, omdat het ‘wetenschappelijk bewijs levert dat kan helpen om onze inspanningen tegen armoede doeltreffender te maken’.

Na een jarenlang slepend intellectueel debat over de zin en onzin van ontwikkelingshulp lijken de randomista’s die vermoeiende patstelling te doorbreken met een genuanceerde visie die het gesprek terugbrengt naar de kern van de zaak: de dagelijkse werkelijkheid van armoede. En daar weten we, zo blijkt, eigenlijk onthutsend weinig van. ‘Het is absoluut belangrijk dat we onze veronderstellingen over arme mensen onderwerpen aan objectieve gegevens’, zegt Paul Polak, die in zijn boek Out of poverty uitvoerig bericht over de talrijke persoonlijke ontmoetingen met arme mensen. ‘Gerandomiseerde studies zijn een immense verbetering.’

Voor iemand die wordt gezien als het boegbeeld van deze beweging oogt Esther Duflo met haar kleine postuur tamelijk onopvallend. Haar schichtige blik lijkt een afweermechanisme te zijn om een gesprek te vermijden. Maar als we tegenover elkaar zitten in de lobby van een hotel aan de Amsterdamse gracht – op bezoek vanwege de Nederlandse vertaling van Poor economics, uitgegeven door Nieuw Amsterdam als Arm en kansrijk – en ze eenmaal begint te praten, blijkt ze moeilijk te stoppen.

‘De grootste hindernis bij armoedebestrijding is de simplistische opvatting van arme mensen’, stelt ze met priemende ogen. Ze betoogt dat de anderhalf miljard wereldbewoners die onder de officiele armoedegrens leven, zijn verworden tot een clichebeeld: ze hebben de hele dag een rammelende maag, voelen zich te gammel om hard te werken, zijn uiterst vatbaar voor ziekten…

Als medeoprichter en directeur van J-PAL (voluit: Abdul Latif Jameel Poverty Action Lab), weet Duflo dat het anders is. In haar Franse tongval vertelt Duflo over een straatarme man in een afgelegen Marokkaans dorp die verzuchtte dat hij meer en lekkerder voedsel zou kopen als hij meer geld had. Niet zo vreemd; het grootste deel van het jaar had hij geen werk, omdat er in de wijde omtrek nu eenmaal niets te doen valt. Maar bij hem thuis bleken een televisie, schotelantenne en dvd-speler te staan. Waarom zou iemand met zo veel luxegoederen klagen dat hij niet fatsoenlijk eet? ‘Wat is er nu erger?’, vraagt Duflo uitdagend. ‘Om niet zo heel erg goed te eten, of om je dood te vervelen? Ik zou het laatste veel erger vinden, dus ik kan wel begrijpen waarom sommige arme mensen een televisie kopen.’

Maar Duflo hekelt niet alleen het beeld van arme mensen als hulpeloze slachtoffers, immer balancerend op de rand van de dood. Ze heeft ook iets tegen het beeld van de sterke ondernemer met gezonde wilskracht, die met toegang tot een banklening zichzelf uit de armoede kan werken. ‘Het is al net zo simplistisch om te denken dat iemand die arm is een ondernemer is’, zegt ze, waarbij ze met name kritiek uit op Muhammad Yunus, oprichter van de met de Nobelprijs voor de Vrede bekroonde Grameen Bank in Bangladesh.

Volgens Duflo zijn zo veel arme mensen ‘ondernemer’ uit noodzaak; ze kunnen geen normale baan vinden en hebben daarom een eigen zaakje – een zaakje dat overigens in werkelijkheid vaak weinig voorstelt en waarvoor ook maar weinig groeimogelijkheden bestaan. Duflo oordeelt hard: ‘Het idee dat we armoede kunnen oplossen door de ondernemingsgeest van arme mensen is misleidend.’

Met tientallen veelal jonge onderzoekers aan J-PAL, dat is gelieerd aan het vermaarde MIT in Cambridge, bekijkt Duflo tot welke gevolgen de maatregelen leiden die het leven van arme mensen moeten verbeteren. Een greep uit de verrassende resultaten van haar studies? Geef een kilo linzen aan ouders in afgelegen gebieden in India die komen opdraven om hun kind te laten vaccineren en liefst zes keer zo veel kinderen krijgen een prik die hen zal beschermen tegen veelvoorkomende ziekten. Roep voor het gezamenlijk beheer van een nieuwe waterput en uit naam van democratisering dorpsvergaderingen in het leven en voila, de lokale elite blijkt ineens meer en niet minder invloed te krijgen. Biedt de allerarmsten in China korting op rijst, zodat ze meer rijst gaan eten en het gevolg is – attentie alstublieft – dat ze juist mínder rijst eten… maar meer garnalen.

Hoe Duflo dat alles verklaart? ‘Mensen zijn onvoorspelbaar’, zegt ze een tikkeltje onverschillig. En: ‘Arme mensen hebben meer keuze dan we aannemen.’

Het zou voor iedereen beter zijn, meent ze, wanneer beleidsmakers rekening houden met de mogelijkheid dat ze die keuzevrijheid aanwenden voor iets wat vanuit een Westerse studeerkamer irrationeel lijkt. ‘Wie van armoede een karikatuur maakt, beledigt de intelligentie van arme mensen.’ Ziedaar het nut van gedegen onderzoek.

Enorm belangrijk’, zo roemt de Belgische wetenschapsfilosoof Jean Paul Van Bendegem de ‘ontdekking’ van het gerandomiseerde onderzoek met een controlegroep, enkele decennia geleden, in de medische wetenschap. Tegenwoordig is ze standaard onderdeel van wetenschappelijke experimenten in uiteenlopende gebieden. Ze wordt gezien als de beste manier om pak ‘m beet bijwerkingen van nieuwe medicijnen aan het licht te brengen, het succes van een innovatie in het onderwijs te beoordelen, of de rehabilitatie van ex-gedetineerden te bestuderen.

Van Bendegem – hoogleraar logica en wetenschapsfilosofie aan de Vrije Universiteit Brussel en erevoorzitter van de Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudowetenschap en het Paranormale, SKEPP – is niet verbaasd dat de methode nu wordt toegepast in de economie. ‘Modellen, ook macro-economische, zijn soms schitterend bedacht,’ zegt hij, ‘maar in de praktijk ontstaat vaak een heel ander beeld. De aandacht wordt nu zeer terecht verlegd van modellen naar de echte wereld.’

En nu heeft het gerandomiseerde onderzoek zijn weg gevonden naar het ontwikkelingswerk. Daar waakt het voor de neiging van onderzoekers om zich, soms ongemerkt en onbewust, bij de bepaling van succes te laten leiden door een zekere vooringenomenheid over het verloop. Bovendien is het vaak lastig om een enkele oorzaak aan te wijzen voor een bepaald gevolg. Immers, wie kan garanderen dat het vaccinatieprogramma de algemene gezondheid in een gebied heeft verbeterd als er rond dezelfde tijd ook een nieuwe waterput is geslagen, die ervoor heeft gezorgd dat minder mensen water uit de vervuilde rivier haalden?

Paul Polak twijfelt aan de interesse in dit soort studies. ‘Waarom zou iemand oprecht geïnteresseerd zijn om uit te vogelen of hulp werkelijk succesvol is?’ Polak kan het weten. Voordat hij directeur van Windhorse International werd – waarmee hij in opkomende markten technologieen introduceert die praktisch en betaalbaar moeten zijn voor klanten die minder dan twee dollar per dag verdienen – had hij ruim twintig jaar in de psychiatrie gewerkt. Als hoofd van het onderzoeksteam bij een instituut voor geestelijke gezondheid in zijn woonplaats Denver heeft Polak diverse gerandomiseerde onderzoeken geleid. En hij weet dus ook dat ze bij de gevestigde orde doorgaans weinig steun genieten vanwege het afbreukrisico. Dat is volgens hem waarom ‘doorgaans erg weinig wordt gedaan om te meten wat wel en niet werkt’, of dat nu bij psychiatrische behandelingen is of bij interventies in de naam van internationale ontwikkeling. Ideeën die gangbaar en modieus zijn, worden nu eenmaal zelden kritisch beschouwd.

Bjorn Lomborg, bekend van zijn geruchtmakende boek The skeptical environmentalist, kan dat beamen. Lomborg is oprichter en directeur van de Copenhagen Consensus Center, dat via een koele kosten-batenanalyse aangeeft hoe de aanpak van mondiale problemen kan worden verbeterd. ‘Omdat het bewijs voor veel beleidsmaatregelen niet zo goed is als het kan en moet zijn,’ zegt hij, ‘helpt het werk van Duflo om een beter beeld te krijgen van wat nodig is’.

Maar hoewel de randomista’s naadloos lijken aan te sluiten op een moderne behoefte, zijn er critici die de lofzang voor hun werk temperen. Veruit de meeste kritiek betreft de overschatting van de waarde die aan hun onderzoeken wordt toegekend. Zoals Polak zegt: ‘Gerandomiseerde onderzoeken zijn geen oplossing voor alles.’

Er zijn soms ook andere – lees: simpelere, goedkopere – manieren om hetzelfde te ontdekken. De resultaten van een jarenlange studie kunnen voor beleidsmakers absurd triviaal zijn. Ze kunnen bovendien plaats- en cultuurgebonden zijn, waardoor een bewezen succesvolle interventie elders kan falen. En het is naïef te veronderstellen dat een studie automatisch politici zal aansporen verstandig beleid te voeren.

De Britse linkse commentator Daniel Ben-Ami, auteur van Ferraris for all, heeft andere redenen om het werk van de randomista’s ‘uiterst problematisch’ te noemen. Volgens hem zijn Duflo en co de ‘belichaming van onze lage verwachtingen’ op het gebied van armoedebestrijding. De ontwikkeling die Ben-Ami graag zou zien, is het ambitieuze proces om van een arm land een rijk land te maken, zoals is gebeurd in delen van Azie waar de uitgesproken wens om welvarend te worden volgens hem de motor is geweest achter de immense groei in de afgelopen decennia.

‘In plaats van deel te nemen aan een publiek debat over wat er nodig is voor een economische transformatie van derdewereldlanden, proberen de randomista’s alleen maar om de scherpe randjes van armoede er een beetje af te halen’, zegt Ben-Ami. ‘Maar wanneer je verwachtingen zo laag zijn, is het niet erg waarschijnlijk dat je veel zult bereiken. In feite zou jouw werk wel eens een barriere kunnen worden voor grotere, meer stoutmoedige initiatieven.’

Duflo haalt haar schouders op bij de kritiek. Niet omdat ze zich erboven verheven voelt, maar omdat ze ook wel beseft dat haar bijdrage aan de wereld niet perfect is. De kritiek ziet ze vooral als een signaal dat meer onderzoek nodig is en dat nog veel meer mensen zich moeten mengen in de strijd tegen armoede.

Omdat niemand het recept tegen armoede kent, volgt Duflo een pragmatische aanpak: ‘We kunnen ons beter concentreren op wat we hier en nu kunnen doen, zonder de hele tijd te worden ontmoedigd’, zegt ze, terwijl ze een lichte toon van irritatie niet kan onderdrukken. ‘In ieder geval weten we hoe we kunnen leren over verbeteringen die vandaag al kunnen worden gemaakt. Ik denk dat sommige mensen daarmee bezig moeten zijn en dat is wat ik doe.’

Van Bendegem twijfelt er niet aan dat het gerandomiseerde onderzoek in de ontwikkelingseconomie in de komende jaren net zo belangrijk gaat worden als in de geneeskunde. ‘Wie beleid uitstippelt,’ zegt hij, ‘moet met argumenten komen en in de moderne maatschappij staan wetenschappelijk onderbouwde argumenten aanzienlijk sterker.’ Hij verwijst naar de trend die wordt gevangen in het modieuze begrip evidence-based policy, waarbij politici verwijzen naar wetenschappelijke kennis ter rechtvaardiging van hun voorstellen.

De regering van Kenia heeft in elk geval geluisterd naar de wetenschappelijke bevindingen van Duflo. Schoolkinderen worden tegenwoordig systematisch ontwormd. Het is een beslissing die het leven van miljoenen mensen zal verbeteren.

Dit artikel verscheen het eerst in de bijlage van Ode in NRC Handelsblad, maart 2012, onder de kop “Armoede is niet wat het lijkt”.

Ook kweekvlees heeft een sappig verhaal nodig

Ook kweekvlees heeft een sappig verhaal nodig

Kweekvlees zit in de kraamkamer. Van Amerika tot Japan werken enkele tientallen bedrijven aan de ontwikkeling van hamburgers en hotdogs waar geen beest voor hoeft te worden geslacht. De beloften van kweekvlees en kweekvis zijn groot: vlees of vis zonder dierenleed, vlees zonder verspilling van landbouwgrond, vis zonder het leegvissen van de oceanen. Voedsel voor 11 miljard mensen waarbij we – anders dan bij veel vleesvervangers – gewoon van de bite en de smaak van vlees kunnen blijven genieten. Mosa Meat, een Maastrichtse ontwikkelaar van kweekvlees, denkt dat het over drie tot vier jaar op de markt kan zijn.

Door: Mirjam Vossen
Op: www.fd.nl

In Europa moet het product zich eerst nog een weg banen door het woud van eisen van de voedselveiligheidsautoriteit EFSA. Vervolgens moeten lidstaten stemmen over de toelating op de Europese markt. In Amerika wacht regulering door de Food and Drug Administration FDA en het Amerikaanse ministerie van landbouw. Dan pas ligt het in de winkel of staat het op de menukaart. Maar nú al moeten de ontwikkelaars van  kweekvlees  zich bekommeren om hearts and minds van de consument. Dat zegt het Good Food Institute, een Amerikaanse organisatie die zich inzet voor de ontwikkeling van  kweekvlees: ‘We hebben een gouden – en korte – kans om de publieke opinie proactief te informeren over deze baanbrekende methode van vleesproductie.’ Het consumentenvertrouwen, aldus het instituut, begint lang voordat we met onze boodschappenkar door de supermarkt rijden. Het begint met krantenkoppen, debatten op sociale media en gesprekken met vrienden. Een goed ­gekozen frame vooraf plaveit het pad voor de acceptatie.

Met dat consumentenvertrouwen zit het volgens Mosa Meat wel snor. Uit een eigen peiling zou blijken dat 52% van de Nederlanders zijn tanden wel in een kweekburger wil zetten. Dat is genoeg om early adopters over de streep te trekken. De grootste uitdaging, zo zegt Mosa Meat, is het volledig vervangen van ­serum uit ongeboren kalveren door een kunstmatig serum. Mosa Meat heeft inmiddels zo’n serum ontwikkeld. En dan is er nog het terugdringen van de kostprijs: een gekweekte hamburger, op grote schaal geproduceerd, zou nu nog €9 kosten. Kortom, wanneer het product veilig en goedkoop genoeg is, dan volgt de consument vanzelf.

Klik hier om verder te lezen.